
De Groninger boerderij: meebewegen met en in het landschap
“…. Immers, boerenhuis en dorp zijn ontstaan door een ordening in het landschap, gebaseerd op door de eeuwen heen tot ontwikkeling gekomen begrippen. Zoo heeft zich tenslotte een gewestelijken bouwtrant gevormd, welks schoonheid is gelegen in de klaarblijkelijke doelgerichtheid, de juiste materialenkeus en de eenvoudige, op vaktraditie berustende constructie.” (Boerderijen in Nederland,1941. Nederlandsche Heidemaatschappij)
Op deze pagina
Meebewegen met het landschap
Net zoals het Groninger land, dat steeds weer veranderde met de zeebewegingen en met de ingrepen van de mens, vormde de ontwikkeling van de Groninger boerderijen er lange tijd één van meebewegen. Het landschap bepaalde de plaats, de ligging en het bedrijfstype – en de vorm hing daar dan weer mee samen. Net als de aanpassingen en uitbreidingen die eeuwenlang werden gedaan. Alles vanuit hetzelfde erf en hetzelfde gebouw – gehecht aan het landschap.
Door de groei van moderne bedrijven en de snelle modernisering die de landbouw al decennia kenmerken, is die samenhang tussen landschap, erf en boerderij aan het verdwijnen. Hierdoor dreigt de teloorgang van het streekeigen karakter van erven en hun bebouwing. De urgentie is extra groot nu veel boeren voor de keuze staan hoe zij, onder invloed van de actuele transities in de landbouw en met de versterking van hun gebouwen in het verschiet, hun bedrijf toekomstbestendig maken.
Naast de talrijke boerenerven die de provincie nog rijk is, hebben ondertussen ook veel boerderij-erven een andere functie gekregen. Van wonen tot werken of een combinatie daarvan. Ook bij dergelijke herbestemmingen staat men voor keuzes bij het aanpassen van gebouw en erf aan de nieuwe functie.
De opgave bij deze actuele ontwikkelingen is: hoe kunnen we dit toch ‘op zijn Gronings’ doen? Meebewegen in en met het landschap, waarbij erf en boerderij in functie en vorm kunnen meegroeien met de tijd?
Om daarin een goede koers te bepalen, is een analyse nodig van de ontwikkeling en het karakter van die eenheid, en van de processen die hebben geleid tot de situatie van nu. Zodat we concrete aanknopingspunten vinden waarop we kunnen voortbouwen.
Aard van de bevolking, met hun bedrijfs- en levensgewoonten, evenals manier van grondbewerking, klimaat, bodemgesteldheid en landelijke omgeving zijn hierop van grooten invloed
Boerderijen in Nederland,1941. Nederlandsche Heidemaatschappij
Landschap, erf en boerderij. Symbiose en onthechting
Het Groninger land vertelt ons hoe de (Wadden)zee het vormde, overspoelde en opnieuw vormde. Over hoe de mens daarin zijn plek vond, en het gebruikte en aanpaste om zich er te vestigen en ervan te leven.

Met het smelten van de ijskappen uit de ijstijden steeg het zeewater en drong het voortdurend met de getijden het land binnen. Het nam fijne kleideeltjes met zich mee, die achterbleven en die zich ook ophoopten op de randen van de geulen en oever- en kwelderruggen.
De combinatie van vruchtbare kleigronden en de hogere ruggen gaf de aanleiding voor mensen om zich er te vestigen. Vanaf de verhoogde wierden bewerkten zij het land en weidden zij hun vee. Waar de losse huiswierden aaneengroeiden, ontstonden reeksen dorpen, die de loop van de oude kwelderruggen volgden.
In het onregelmatige verkavelingspatroon zien we nog altijd de oude stromen van meanderende Wadgeulen. Het landgebruik is lange tijd gemengd geweest met akkerbouw en veehouderij.
De oudste reeks wierdedorpen, Ezinge-Feerwerd-Oostum-Middelstum-Eenum, laat zien tot hoe diep de zee inlands reikte. Nieuwe reeksen ontstonden steeds noordelijker, doordat de kwelders aangroeiden en hoger kwamen te liggen. Maar het gebied daarachter raakte hierdoor geïsoleerd en kon het water niet meer kwijt. Zo ontstond een groot, ontoegankelijk veenmoeras in het huidige Centrale Woldgebied, Duurswold en de Veenkoloniën.
Het waren de kloosters die vanaf de 12de eeuw met grotere ontginningen én landaanwinning startten: voor het eerst werden dijken aangelegd, steeds verder de kwelders in. Het water werd via zijlen afgevoerd naar zee en de ontginning van de vruchtbare klei nam systematische vormen aan.
Evenwijdig aan de dijk vormden zich de linten met de boerderijen; hun kavels staken smal en diep het nieuwe land in. Tot diep in de 19de eeuw groeiden de polders. En ondanks grote periodieke overstromingen, waarbij bijvoorbeeld de Dollard meermaals hele dorpen verzwolg, groeide ook daar, in het Oldambt, het land steeds verder en ontwikkelde dit hele gebied zich tot de graanschuur van Europa.
De ondoordringbare veengebieden waren desondanks aantrekkelijk vanwege de brandstof die eruit gewonnen kon worden en ook daarvoor vond men een manier: vanaf de dekzandruggen aan de randen werd het veen ontwaterd, afgestoken en tot turf verwerkt. Daarna kon het land in cultuur gebracht worden en vestigden de boeren zich in linten die de oude dekzandruggen volgden.

Erf
Waar de structuren van de ontginningen en dorpen zo verschilden, gold dat ook voor de plaats en ligging van de boerenerven. De lokale omstandigheden bepaalden hun plek, hun grootte en hun oriëntatie. Het was de plaats waar men woonde én werkte; een zelfvoorzienende eenheid. Soms binnen een gracht, waar ook voedsel werd verbouwd.
Als bescherming tegen weersinvloeden werd het omsloten door dichte windsingels, die ook hout leverden voor onder andere bouw, gereedschap en klompen. Het erf was onderdeel van en voorwaarde voor de bedrijfsvoering: de schakel tussen boerderij en landschap.

Boerderij
De boerderij zelf is ook product van en schakel in een doorlopende ontwikkeling, terug te voeren tot de middeleeuwen en zelfs veel eerder. De materialen voor de bouw van de boerderij kwamen van het erf of uit de directe omgeving. De bomen die gebruikt werden voor de gebinten, bepaalden de maat en overspanning. Voor de (oorspronkelijk houten) gevels werden in Groningen al vroeg stenen gebruikt, product van de regionale verwerking van de zeeklei tot kloostermoppen en baksteen. Stro, riet en pannen vormden de dakbedekking.
Ook de vorm en indeling van de boerderij was geënt op de functie van akkerbouw of veeteelt. Hieruit zijn de verschillende boerderijtypen ontstaan, aanvankelijk nog echt streekgebonden. Steeds is eraan gesleuteld en vertimmerd, om ze aan te passen aan veranderingen. Altijd sober, doelmatig en met gebruik van wat erf en landschap boden.

Symbiose
Ook het erf veranderde mee met de behoeften en breidde zich door de eeuwen heen steeds verder uit. Deze onlosmakelijke verbondenheid (symbiose) van boerderij, erf en landschap heeft de verschillende Groninger landschappen herkenbaar en onderscheidend gemaakt.
Bij de 19de-eeuwse en vroeg 20ste-eeuwse bloei en rijkdom bleef de bedrijfsvoering, en dus de achterkant met boerderijschuur, voortbouwen op het bestaande: ambachtelijk, functioneel en volledig aan het landschap verankerd. Aan de voorkant werd er gepronkt met voorname voorhuizen en richtte men zich naar de weg, ook met een (slinger)tuin, waterpartijen en exotische beplanting.
Hier verschoof de nutsfunctie en kwam er ruimte voor erfverfraaiing en aanzien. Het vormde een eerste voorzichtige verandering waarbij het landschap werd losgelaten, toen nog vooral uit status- en esthetische motieven.

De breuk
Maar de diepe verbinding tussen verandering en verankering in het landschap is pas echt doorbroken in de 20ste eeuw, toen modernisering een enorme vlucht nam.
Het groeiende gebruik van kunstmest – uitgevonden eind 19de eeuw – gaf als eerste de mogelijkheid om per bedrijf hogere opbrengsten te halen. Rustgewassen zoals boekweit werden overbodig, waardoor er meer grond vrijkwam.
Efficiëntie
De benodigde mankracht hiervoor vormde dan wel weer een groeiend probleem. Daarvoor werd vervolgens de trekker geïntroduceerd. Daarop volgden in de mechanisatie meerdere landbouwmachines, die door hun maat beter geschikt waren voor werk op ruimere percelen.
En zo werd efficiëntie het nieuwe woord, waarmee een omkering intrad: het land geschikt willen maken voor machines en werktuigen, in plaats van de werktuigen functioneel maken voor het land.
Ruilverkaveling
De ruilverkaveling, die na de Tweede Wereldoorlog echt op gang kwam, bood de oplossing voor de behoefte aan grotere aaneengesloten landerijen. Percelen werden vergroot, geëgaliseerd en onder boeren geruild, zodat de maat en schaal van het landschap weer paste bij de bedrijfsvoering.
Het planmatige karakter van de landbouwhervormingen werd een feit met de ruilverkavelingen, gestuurd door de overheid en aanvankelijk ingegeven door de voedseltekorten in binnen- en buitenland. Ook Europees landbouwbeleid werd opgezet en dit alles leidde tot een uniforme regulering en verdere schaalvergroting, met grote gevolgen.
Van zelfvoorzienend naar wereldmarkt
De bodem, voorheen bepalend voor de keuze voor veehouderij of teeltsoort, kon sinds de toepassing van drainage, grondverbetering en bestrijdingsmiddelen bijna naar keuze geschikt gemaakt worden voor de marktvraag. Van de wereldmarkt, welteverstaan.
Samen met de toegenomen welvaart (en de supermarkt) verviel de noodzaak om zelfvoorzienend te zijn. Het agrarische erf was niet langer de leverancier van voedsel en bouwmateriaal voor eigen gebruik.
Ook nu worden de agrarische bedrijven nog steeds groter, waardoor meer ruimte nodig is voor de dieren of een grotere opslagruimte. Ook automatisering en robotisering versnellen enorm. Zij bepalen grotendeels de maat van de landbouwmachines en dus die van de nieuwe schuren op het erf. Daarvoor is ook weer een gespecialiseerde bouwsector actief, die veelal werkt met prefab, staal en kunststof.
Agro-industrie
Een hele agro-industrie is ontstaan om de boer heen, die daarmee afhankelijker is geworden van regels en aanbod van buitenaf. Zijn zeggenschap over het eigen erf is zo bekeken een stuk minder geworden. Het is voor hem allang geen kwestie meer van ‘sleutelen en vertimmeren’.
Er zijn ook veel traditionele erven die zijn onttrokken aan de landbouw, omdat ze zijn vrijgekomen na de ruilverkavelingen en bedrijfsovernames. Door de omvang van de boerderijen is het vaak zoeken naar een nieuwe functie; de uitkomst varieert van woonboerderij en kantoor tot caravanstalling. Hier staat de boerderij nog wel centraal, maar is de rol van het erf als functionele schakel tussen bedrijf en landschap van een andere orde.

Wat ons nu te doen staat, is om het eigen karakter van boerderij en erf goed te laten landen in het landschap
Vernieuwen met oog voor geschiedenis
Het weefsel van de natuurlijke functionele afhankelijkheid van boerderij, erf en bodem of landschap is in een halve eeuw opgerekt en aan het losraken. Bodem en erf dicteren niet meer de bedrijfsvorm, letterlijk en figuurlijk.
Dit begint ook nog tegen nieuwe grenzen aan te lopen: de reeds voelbare klimaatveranderingen vragen om een andere visie op bodem en waterhuishouding, energie en gewassenteelt.
Kortom: een veelomvattend proces met golfbewegingen waar ook de individuele boer weinig grip op heeft.
Op veel erven staat nog altijd de oude boerderij. Op de grote bedrijven wordt deze weliswaar omringd door enorme schuren, en zoekt men er met moeite een functionele bestemming voor. Maar het blijft ook de oude huisplaats, waar men vele generaties gewerkt en gewoond heeft en die de boer bindt aan zijn herkomst. Daarnaast is er een groeiende groep boeren die met regeneratieve en kringlooplandbouw zoekt naar een hernieuwde verbinding met erf en landschap, vanuit een vergelijkbaar besef van traditie. En die groep ziet kansen, juist in de nieuwe opgaven.
Wat ons nu, met de concrete opgave van een duurzame versterking van de Groninger boerderij te doen staat, is om daarbij het eigen karakter van boerderij en erf minstens in vorm en proportie goed te laten landen in het landschap. De beste kans daarop is door met maatwerk en passende ingrepen de gebouwen functioneel te houden en klaar te maken voor de toekomst. Sleutelen en vertimmeren 2.0, met kennis en besef van de historie.








