Navigatie overslaan
Erven

Erven van Groninger boerderijen

De erven van de boerderijen veranderen. Net als de gebouwen, hebben de erven een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt, ingegeven door maatschappelijke veranderingen en technische innovaties. 

Erven van Groninger boerderijen

De boerderij en het erf samen zijn beeldbepalend voor het landschap en de omgeving. De streekeigen bebouwing en de opzet van de erven bepalen in belangrijke mate het beeld en de beleving van het landelijk gebied. Gebruik en geschiedenis van het (cultuur)landschap zijn ervan af te lezen. 

Beplanting is een belangrijk onderdeel van het erf, omdat het de samenhang brengt en het erf afkadert in zijn omgeving. Het kenmerkende silhouet wordt bepaald door de schuren én aanwezige bomen en struiken.

Erven bij boerderijen zijn altijd gevormd vanuit een gebruik. Het erf is onderdeel van de bedrijfsvoering en moet ruimte bieden aan de functies die nodig zijn. Er is een logische samenhang tussen de verschillende ruimten en daarmee ook logische positionering. Altijd al streefde men een bepaalde efficiëntie na in de bedrijfsvoering. 

Boerderij met beplanting ligt als groen eiland in het verder open landschap
Boerderij met beplanting ligt als groen eiland in het verder open landschap

Bij erven wordt met regelmaat de suggestie gewekt dat het zou gaan om vaste regionale typen, waarvan de kenmerken door de tijd heen constant waren. Inmiddels weten we dat boerenerven een veel dynamischer geheel hebben gevormd, waarbij ontwikkelingen in de ruimere geografische context hun sporen direct nalieten in de wijze waarop men de boerenerven heeft ingericht.

Ga je met je erf aan de slag vanwege uitbreiding, versterking, restauratie of bij herbestemming, dan is de eerste stap om het landschap in kaart te brengen en een historische analyse te maken. Hoe is de ontwikkeling van het erf, de boerderij en de uitbreiding tot nu geweest? En hoe kan dat hersteld, verbeterd of uitgebreid worden? 

De lokale omstandigheden verklaren vaak de huidige inrichting en kunnen bovendien inspiratie geven. Vanuit deze situatie ontwikkel je verder met de gebruikswensen en de ruimte die het landschap daarvoor biedt. En zo zal je ontdekken dat elke plek een eigen oplossing vraagt, maar vanuit de juiste invalshoek blijkt dat veel mogelijk is.

Om te begrijpen hoe de erven doorgaans zijn opgebouwd, volgt hieronder een toelichting op de meest voorkomende onderdelen.

Onderdelen van het erf

De diversiteit aan boerderijen en erven is groot. Het omliggende landschap was altijd, en is ook bij nieuwe erven nog steeds bepalend voor de ligging, de bedrijfsvoering en de oriëntatie van het gebouw op het erf. Denk aan het voorkomen van dijken, wierden, kolken, inpolderingen, ontginningsassen, wegenstructuur en dergelijke. 

Naast de functie veehouderij en/of akkerbouw zijn ook andere relaties met de omgeving nog zichtbaar, zoals invloeden van voormalige kloosters, borgen, of de renteniersvilla's en arbeiderswoningen. Tevens kenmerkt het wierdenlandschap zich door de oude rechten van bijvoorbeeld het mogen hebben van een duiventil of begraafplaats.

Het erf was een plek waar werd gewoond en gewerkt, waar men zelfvoorzienend was. Alles op het erf was dus functioneel, en diende een nut. De hoofdvorm was altijd een rechthoek of vierkant. We zien hierin de menselijke principes terug van ratio en orde. Uitgaande van het gemengde bedrijf kent het erf van oudsher verschillende onderdelen welke hieronder worden toegelicht.

Definitie erf in Nederland:

Een boerenerf is het begrensde terrein rondom een boerderij waar de gebouwen, tuinen, schuren en werkruimtes samen een functioneel en vaak ook sierlijk geheel vormen.

Een boerenerf omvat de boerderij zelf, bijgebouwen zoals schuren en hokken, een mestvaalt, moestuinen, siertuinen en soms een huisboomgaard of geriefhoutbosje. Het erf is meestal afgescheiden van het omliggende akker- of weideland door beplanting, hekken, sloten of rijen knotbomen, en kan een oprit met poort of laanbeplanting hebben. (Rijksdienst Cultureel Erfgoed)

Gracht

In het noordelijk zeekleigebied (het Hogeland) was lange tijd de invloed van de zee aanwezig. Men beschermde zich door de huisplaatsen op te hogen, dat werden huiswierden. De gracht diende als drinkwatervoorziening, bluswater, waswater en paardenwask, en lag rondom het erf in een rechthoek of vierkant.

De grond die vrijkwam met het graven werd gebruikt om het binnendeel verder op te hogen zodat de boerderij nog hoger kwam te liggen.

Singel of bomenrij

Het erf werd omzoomd door een bomenrij of singel bestaande uit inheemse bomen en struiken. Om zich te beschermen tegen de harde zeewind en een microklimaat te creëren voor de moestuin en de boomgaard. De bomen dienden ook ter beschutting van de dakpannen en als bliksemafleider.

De bomen rondom het erf volgden de gracht en waren onderdeel van het erf. Ze hoorden door hun strakke vorm niet bij de onregelmatige verkaveling van het landschap en daarmee zijn de erven duidelijke eigen entiteiten (groene eilanden) in het landschap. 

  • Bomenrij: Rij bomen van één of meer soorten op bepaalde afstand van elkaar in een rij
  • Singel: Combinatie van bomen en struiken, variatie in soorten, variatie in onderlinge afstand en kan meerdere rijen breed zijn

In het Oldambt zijn de erven ook – net als in de noordelijke kleistreek – eigen entiteiten, hoewel de verkaveling hier wel regelmatiger is. In dit gebied is juist het contrast tussen het besloten erf en het weidse open landschap erg groot waardoor de erven opvallen.

In de dorpslinten gaan de erven meer op in de omgeving. De wegbeplanting gaat bijna naadloos over in de erfbeplanting en wordt er haast onderdeel van. De boerderijen staan afwisselend met de woningen langs de weg, met de voorzijde naar de weg gericht. 

De voortuin heeft vaak enkele solitaire bomen en een aangelegde tuin. Langs oprijpaden worden soms bomen geplant: populieren voor uiteindelijk de houtkap of lindebomen voor de sierwaarde.

De schuur of schuren

Een boerderij bestaat in beginsel uit één gebouw waarin zowel wordt gewerkt als gewoond. Dit kan in de vorm van een kop-hals-romp of Oldambtster type. Dit zijn de meest voorkomende boerderijtypen in het aardbevingsgebied. 

Daarnaast komen verschillende elementen voor, afhankelijk van het type landschap. In het Hogeland waar van oudsher veel gemengde bedrijven waren, vind je vaak de volgende bijgebouwen: een hut, dwarshut, koetshuis en stookhut. Sporadisch kwamen een duiventil of eigen begraafplaats voor. 

In het Oldambt zijn de boerderijen veel groter maar beslaan in veel gevallen maar één schuur. De specialisatie in akkerbouw heeft daar al eerder plaatsgevonden dan op het Hogeland.

Op de gemengde en veehouderijbedrijven was het belangrijk dat men de melk op de koele zijde (het noorden) van de boerderij verwerkte. Aan deze zijde lagen de grupstal, karnruimte en melkkelder naast elkaar. De middendeel van de schuur was hoog en moest ruimte bieden aan de schoven die in de winter werden gedorst. Voor de paarden, nodig op het land, was de stal altijd aan de achtergevel gelegen, vaak in het midden. 

Heel vroeger woonde het personeel in de schuur, voorin bij de overgang naar het woonhuis. Later werden er achterop het erf ook losse arbeiderswoningen gebouwd. En nog veel later gingen de arbeiders in het dorp wonen. Met de komst van de mechanisatie verdween het eigen personeel en wordt nu, indien nodig, de loonwerker ingehuurd. 

Het woondeel was gescheiden van de schuur. Dit kan door een brandmuur (Oldambtster type) of een hals (kop-hals-romp). In oudere vormen is het huis zonder hals aan de schuur verbonden.

Moestuin, bessentuin en boomgaard

De boerderijen waren zelfvoorzienend. Elk erf had op een zonnige plek de moestuin. Verder waren er een bessentuin en een boomgaard. Noord-Groningen kent een aantal streekeigen bessensoorten. De bessen werden, naast eigen gebruik, ook bij plekken geteeld voor de veiling (in Zandeweer, Loppersum en Eenrum waren veilinghuizen). De moestuin en boomgaard verdwenen naar de achtergrond, toen men groenten en fruit in de winkel ging kopen. 

De laatste jaren verandert dit weer. Eigen groenten en fruit kweken wordt weer gewaardeerd. Er verschijnen verkoopstalletjes langs de weg. Of het vele fruit wordt naar de lokale fruitsappersen gebracht om er lang houdbare appel- en perensap van te maken.

Stookhut

Op veel erven is van oudsher een aparte stookhut aanwezig. Het was de plek voor zwaar huishoudelijk werk, brood bakken, koken en wassen. Tegenwoordig, als ze er nog zijn, hebben ze geen directe functie meer.

Waterput

In de beginperiode van de bewoning was veel water brak of zout door overstromingen. Met een waterput kon men regenwater bergen en was men verzekerd van zoet water.

Basisindeling van historisch Gronings erf
Basisindeling van een historisch Gronings erf

Bleek

De bleek is een open, kort gemaaid grasveld waar het textiel en de linnen droogden en witter werden gemaakt door de zon. Tegenwoordig is deze functie vervallen maar is het gazon gebleven.

Siertuin

Bij de boerderij, rondom het voorhuis, lag de siertuin. Hier komen bloemperken en sierheesters voor. De rol van de boerin is belangrijk voor de inrichting van dit sierdeel van het erf. In dit gedeelte komen de persoonlijke voorkeuren voor kleur en assortiment van beplanting terug. 

En de tijd die de boerin heeft om de tuin te onderhouden maakt het verschil. Het erf is behalve een plek om te boeren, ook de plek waar geleefd wordt met het gezin. 

Mestvaalt

Op het achtererf kwam bij de gemengde bedrijven een mestvaalt voor, waar de stalmest werd verzameld voordat het op het land kon worden verspreid.

Op bovenstaande afbeelding is te zien waar de onderdelen zich op het erf in de regel bevonden.

De soorten beplanting zijn een weerspiegeling van het assortiment dat toen beschikbaar was

Soorten beplanting

Naast de indeling is ook de grondsoort en omgeving van invloed op de soortenkeus. Zo is de sterke zeewind niet geschikt voor alle bomen en verschilt het nogal of je bomen plant op de klei of op zand.

Op het erf is een duidelijke hoofdstructuur van het voor- en achtererf aanwezig. De voorzijde was het domein van de vrouw, het achtererf dat van de man. Deze verdeling vertaalt zich ook in de soortenkeus op het erf wat betreft bomen en struiken. 

Van oudsher komen op de erven vooral inheemse beplanting voor, met uitzondering van de slingertuinen waar ook veel exoten werden aangeplant. De soorten zijn een weerspiegeling van het assortiment dat toen beschikbaar was.

Op het voorerf is de siertuin. Hier komen de bomen voor die een bijzondere bloeiwijze, groeivorm of kleur hebben. Denk aan de goudes, goudiep, rode beuk, bontbladige esdoorn, treurwilg of treures. Deze staan vaak solitair op het voorerf, dat voldoende ruimte moet hebben voor deze fors uitgroeiende parkbomen. 

Ook werden hier heesters en kleine sierbomen geplant zoals sering, rode meidoorn, lijsterbes, gouden regen, hulst, magnolia, jasmijn, weigelia, kornoelje, sneeuwbes, pioenroos, hortensia en ribes. Veel voorkomende soorten in de bloemperken waren astilbe, geitenbaard, hosta en roos. 

Doorsnede van het erf met bomen rondom, dan een gracht en daarbinnen de gebouwen

Langs de zuid- en westgevel van het woonhuis werden ook vaak lindes geplant die werden teruggesnoeid tot een gekandelaberde, lei- of knotvorm. De bomen vormen een functioneel zonnescherm in de warme zomermaanden. 

Lindes werden vaak per drie aangeplant en symboliseerden de drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. De lindebomen (en andere soorten) die de zon tegen moesten houden, stonden dicht op de gevel geplant en dienden ook om de kelders droog te houden.

In het Groningse kleigebied vinden we regelmatig rode beuken bij het voorhuis. Bij de oudere exemplaren, aangeplant tot 1930, is dat niet zomaar aangeplant. De rode beuk mag je volgens de overleving planten op de boerderij als die 40 ha of groter is. Voor elke 40 ha 1 beuk. Tegenwoordig wordt de rode beuk ook op andere erven aangeplant en gaat dit niet meer op. 

Als we meer naar het achtererf gaan, wordt de inrichting soberder. Daar werd immers vooral gewerkt. De soortenkeus wordt algemener en de inrichting minder formeel. Hier komen soorten als de es, els, wilg en populier voor. Bij de melkruimte was vaak een vlier of werd een walnoot geplant om de vliegen te weren. 

Stinzenbeplanting

De erven van boerderijen waarborgen een grote collectie aan stinzenbeplanting. Veelvoorkomende soorten zijn sneeuwklokjes, krokussen, winteraconieten, scylla’s, boshyacinthen, anemonen, vogelmelk, lelietjes der dalen en narcissen.

Achtererf

Het erf is duidelijk begrensd met een gracht en beplanting van bomen en struiken. Op het zand en in het Oldambt vind je grachten in mindere mate. Het landschap is open. Beplanting was alleen langs wegen, dorpen en op erven. De overgang van erf naar landschap is een harde grens.

Recente ontwikkelingen los van het landschap

Eind 19de eeuw kende de landbouw een enorme welvaart. Invloeden van buiten de agrarische sector deden ook op de boerderij hun intrede. Zo werden de architectuur en de relatie met de omgeving belangrijker. Waar vroeger het erf een zelfvoorzienende, op zichzelf staande plek in het landschap was, werden nu het aanzicht en de oriëntatie belangrijk. 

Aanzien en status

Het woonhuis werd onder architectuur gebouwd en kwam met de voorzijde naar de weg te liggen. Het kreeg meer relatie met de bewoner, omwonenden en voorbijgangers, dan met het oorspronkelijke landschap. 

Zo werd de ligging aan de weg belangrijk en diende het voorhuis en de siertuin ook als uithangbord van aanzien en status. Menig boerderij is hiervoor 180 graden gedraaid. Er zijn ook gevallen bekend dat na een brand de boerderij meer naar de weg is verplaatst en herbouwd.

Ook in de inrichting van het erf kwamen veranderingen. De Engelse landschapsstijl kwam halvewege 1850 op en brak met het geordende tuinontwerp van daarvoor. In deze stijl zien we de romantiek terug, vol dwalingen en verrassingen. 

Deze lijken in eerste instantie heel spontaan, maar zijn wel degelijk ontworpen. In het tuinontwerp vertaalde zich dat naar slingerende paden, bergjes, vergraven grachten, vijvers en exotische beplanting. In deze periode was het gebruikelijk dat men in de tuin ging wandelen en kon zitten bij een prieeltje.

Mechanisatie

Na de Tweede Wereldoorlog vond een tweede grote verandering plaats: de mechanisatie en de daarmee samenhangende schaalvergroting nam een grote vlucht. Met de komst van de trekker werd het mogelijk om met minder arbeid meer land te bewerken. De bedrijven werden groter en gaandeweg bleken de percelen wel erg klein, ongelijk en inefficiënt voor de machines. 

De ruilverkaveling bood hiervoor de oplossing. Gebied voor gebied werd Nederland heringericht. Percelen werden vergroot, geëgaliseerd en gronden onder boeren geruild zodat de maat en schaal van het landschap weer paste bij de bedrijfsvoering.

Met het wegvallen van de arbeiders was er ook minder tijd voor het beheer van het erf. In de slingertuinen zijn om die reden vele paden en bloemperken verdwenen. De Groninger slingertuin kwam voor bij de grote boerderijen die een groot deel van het erf als pronktuin gingen aanleggen. Nog altijd zijn er slingertuinen uit die tijd bewaard gebleven als groen erfgoed.

Niet meer zelfvoorzienend

Door de toegenomen welvaart verviel de noodzaak om zelfvoorzienend te zijn. De moestuin verdween vaak, de boomgaard takelde af en onderhoud werd minder. Daarnaast spelen ook de boomziektes een belangrijke rol in het wegvallen van beplanting. De iepziekte, kastanjebloedingsziekte en de essentaksterfte hebben voor veel uitval gezorgd. 

Deze recente ontwikkelingen hebben in het teken gestaan van de efficiëntie van de ondernemer. Na de ruilverkaveling zien we dat de schaalvergroting nog altijd doorzet en leidt tot verdere specialisatie van de agrariër. Tegenwoordig zijn de meeste bedrijven gespecialiseerd: of in akkerbouw of in veehouderij. 

Specialisatie

Bij de akkerbouw betekent dit moderne schuren voor de opslag en koeling van aardappels, uien en wortels. De melkveebedrijven hebben nieuwe ligboxenstallen, mestopslag, en sleufsilo’s erbij gekregen.

In het Oldambt is bij de akkerbouw het hoofdgewas nog veelal graan. Naast de al aanwezige schuren is er een grotere machineberging, graanopslag en soms ook mestbassin op het erf erbij gekomen.

Een algemene trend bij bedrijven is verduurzaming. Dit is zichtbaar in de vorm van zonnepanelen, windmolens en thuisbatterijen.

Modern erf met zonnepanelen en windmolens. Ook hier speelt beplanting een belangrijke rol in de landschappelijke inbedding

Deze vooruitgang is vooral gericht op schaalvergroting en efficiëntie. Het heeft in veel gevallen de verankering in het landschap losgelaten. Vaak pasten de nieuwe schuren niet op het oude erf – ze waren te groot. Daarom werd een deel van de gracht gedempt, waar vervolgens de nieuwe schuur werd gebouwd. 

Zo kwamen de nieuwe schuren half buiten het erf te liggen en hoorden ze niet echt bij het oude erf, maar waren ook niet los ernaast. 

Vanaf de jaren ’80 kwam de boeren siertuin weer in zwang, vele boerinnen trokken het land door met tuinclubs om elkaars tuin te bewonderen. Ook het buitenleven in de tuin met terrassen, overkapping en trampoline wordt steeds populairder. 

De laatste jaren is er behalve van het zelf genieten ook meer aandacht voor de biodiversiteit en wordt veel beplanting voor bijen, vlinders en andere insecten aangeplant.

Zonder beplanting staat een nieuwe schuur kaal en anoniem in het landschap. Het hoort nergens bij

Toekomst van het Groninger erf

Om de transitie van de landbouw vorm te geven, is het belangrijk de relatie met het omliggende landschap aan te blijven gaan. Vaak weet de ondernemer precies waar de nieuwe loods aan moet voldoen qua afmetingen en functie. 

Vervolgens wordt gekeken naar beschikbare ruimte op het erf. Waar is nog ruimte en past de nieuwe schuur? Het liefst binnen het bouwblok zodat het sneller te realiseren is. De onderlinge samenhang en ligging in de omgeving wordt hierbij nogal eens vergeten. Een singel verdwijnt om ruimte te maken voor de bouw en er komt geen nieuwe beplanting. Vaak vanwege mogelijke overlast of omdat men niet weet wat aan te planten. De kennis ontbreekt en het heeft geen prioriteit. 

De nieuwe schuur staat er dan wel, maar mist beplanting en staat daardoor kaal en anoniem in het landschap. Het hoort nergens bij.

Landschapsarchitect

Een landschapsarchitect of erfontwerper helpt de ondernemer om te kijken naar een logische plek voor de nieuwe loods, die qua ligging ook goed past in de omgeving. 

De beplanting kan het geheel van schuren tot een harmoniërend erf maken. Bij nieuwe aanplant denkt de landschapsarchitect of erfontwerper ook mee over het onderhoud, die kennis is bij de meeste boeren niet meer aanwezig. Op de juiste manier aangeplant is het onderhoud te overzien. 

De positionering van de gebouwen op het erf is bij uitbreiding van groot belang. Vanzelfsprekend moet het erf een plek blijven waar goed kan worden gewerkt, maar het totaalplaatje moet ook kloppen. Hierbij is het vaak gewenst om meer ruimte te nemen zodat er een logische ordening kan ontstaan en er nu al wordt nagedacht over ruimte voor een toekomstige uitbreiding. 

Over de grenzen van het bouwblok

Dit kan ertoe leiden dat de grens van het bouwblok wordt overschreden. Dit hoeft niet altijd een bezwaar te zijn. De gemeente, provincie en de adviseurs ruimtelijke kwaliteit bieden tal van mogelijkheden om in gesprek te gaan over de plannen en te verkennen of er passende oplossingen mogelijk zijn. In sommige gevallen kan een oplossing zijn dat het huidige bouwblok wordt aangepast qua vorm, zonder dat het wordt vergroot.

Onderstaand twee voorbeelden van een passende uitbreiding van een boerderij in het noordelijke kleigebied, voor de akkerbouw en veehouderij.

Bij de akkerbouwer is het logischer om de schuur in het verlengde van het erf te positioneren waardoor de rechthoekige vorm doorgezet kan worden. De scheiding tussen het voorerf en het achtererf blijft duidelijk zichtbaar. Als dat niet mogelijk of wenselijk is vanuit de bedrijfsvoering, dan liever duidelijk los van het oude erf maar wel ook voorzien van beplanting. 

Voor de veehouder is de looproute van het vee en de route van het voer belangrijk. Op onderstaand voorbeeld is de route van kuil naar stal kort, maar ontstaat er wel een rechthoekig erf en is er nog ruimte voor verlenging van de stal. En ook hier blijft de scheiding tussen het voorerf en het achtererf duidelijk.

Akkerbouw oude situatie
 
Akkerbouw nieuwe situatie
Boven: oude situatie erf van akkerbouwer, onder: bouw nieuwe schuur en ruimte voor tweede fase
Boven: oude situatie erf veehouder, onder: uitbreiding met ligboxenstal, windmolen en sleufsilo’s. Én met ruimte voor verdere uitbreiding van de stal. Rondom de kuilopslag kan bijvoorbeeld een voederhaag worden aangeplant

Beplanting biedt naast landschappelijke inpassing nog veel meer. Het creëren van een microklimaat is na al die eeuwen nog steeds een voordeel. De harde wind wordt gebroken. Daarnaast biedt beplanting veel verkoeling op warme dagen. 

Anderzijds biedt beplanting ook ecologisch veel verrijking in de vorm van voedsel, nest- en schuilplekken voor vogels, insecten en kleine zoogdieren. 

Ten slotte kan de beplanting rond het erf op plekken ook dienen als voedselhaag voor vee. Bladeren en twijgen bevatten waardevolle eiwitten, mineralen en sporenelementen. Wilg bevat bijvoorbeeld salicylzuur, wat ontstekingsremmend en pijnstillend werkt. De hazelaar is eiwitrijk. Andere soorten die in de voederhaag passen zijn meidoorn, sleedoorn, zwarte els en lijsterbes. 

De haag en bomen bieden verkoeling op hete zomerdagen. De eerste voedselhagen zijn al gerealiseerd en liggen langs het kavelpad waar de koeien tijdens weidegang elke dag langs lopen. Vanuit regelgeving kunnen er voorschriften bestaan over de minimale afstand tot de erfgrens waar geplant mag worden. 

Nevenfuncties op het erf

Naast schaalvergroting is een andere trend in de landbouw nevenfuncties op het erf. Dit kan in de vorm van een boerderijwinkel, boerderijcamping, bed & breakfast of kinderopvang.

Een deel van het erf of boerderij krijgt in deze gevallen een andere functie erbij, met ruimtelijke gevolgen. Denk alleen al aan het extra verkeer en de parkeerruimte voor bezoekers. Landschappelijk is dit goed vorm te geven mits de uitgangspunten van de erfindeling als basis worden genomen.

We hebben hierboven kunnen lezen dat het erf altijd in verandering was, maar het omliggende landschap veelal bepalend is geweest in welke richting de verandering ruimtelijk gebeurde. 

Een overzichtelijke erfinrichting is belangrijk en voor het bezoek of de klanten is dan een duidelijke route en parkeerplaats belangrijk. De scheiding met het boerenbedrijf moet aangegeven worden zodat het veilig is. Met een nieuwe functie op het erf ontstaat er een nieuw middengebied, een soort ‘tussenruimte’ tussen het klassieke voor- en achtererf.

Plattegrond met indeling van een bedrijf met boerderijwinkel

Hierboven een voorbeeld van een bedrijf met boerderijwinkel. De beplanting rondom bepaalt de ruimtelijke ligging in het omliggende landschap. Op het erf is met de komst van de boerderijwinkel een nieuw middengebied ontstaan waar bezoekers komen, auto’s parkeren en een verblijfplaats is ingericht voor passanten. 

Ook hier is onderscheid tussen beplanting rondom het woonhuis (haag met bomen) en rond de bedrijfsgebouwen (singel met bomen en bosplantsoen)

Herbestemming zonder agrarische functie

Een gevolg van de schaalvergroting in de landbouw is het vrijkomen van boerderijen. Het land gaat over naar de volgende boer en de boerderij en het erf verliezen hun functie. Dit proces is nog altijd gaande. Een deel van de boerderijen vindt een nieuwe bestemming als woonhuis. De grotere schuren worden in sommige gevallen ook bewoonbaar gemaakt zodat er dubbele bewoning plaatsvindt. 

Een andere groep gebruikt de schuur voor zijn of haar bedrijf, denk aan timmerlieden, bouwbedrijven of caravanstallingen. De functies van het erf veranderen hierdoor. 

Bij hergebruik van de boerderij voor een andere functie dan de primaire agrarische en zeker bij een geheel nieuw programma komt het erop aan om, net als bij nieuwbouw van grootschalige loodsen en stallen, het erf mee te nemen als onderdeel van de ontwerpopgave. 

Met name als het gehele erf wordt gebruikt voor alleen wonen vervaagt de overgang van het voor- naar het achtererf. De routing op het erf verandert en de beplanting vaak ook.

Nieuwe functie met behoud van uitstraling

Nieuwe bestemmingen zijn ruimtelijk prima mogelijk met de aanbeveling om de indeling zoveel mogelijk te handhaven zodat de landschappelijke uitstraling van de boerderij herkenbaar en behouden blijft.

Deze erven kunnen heel mooi uitgroeien tot groene oases. Vaak wordt veel beplanting aangebracht en met de juiste soorten ontstaat een prachtige plek waar dieren veel voedsel en nest- en schuilplekken krijgen. Omdat er geen agrarische activiteit plaatsvindt, zijn deze plekken vaak veel rustiger.

Opdelen van grote gebouwen

Bovenstaande is gericht op een boerenerf met één bewoner. Een andere mogelijkheid is om de grote gebouwen op te delen. Denk aan het collectief wonen van burgers op het erf. Hier en daar gebeurt dit al in de provincie Groningen. 

De boerderij wordt opgedeeld in zes of acht wooneenheden en het erf wordt een collectieve ruimte die de bewoners samen beheren. Voordeel is dat bewoners elkaar onderling kunnen helpen en eventueel ook auto’s en dergelijke kunnen delen.

Naast de bestemming als wonen is het ook denkbaar dat de boerderij plek biedt aan kleine ondernemers die het als een bedrijfsverzamelgebouw gebruiken. Bij de herbestemming is het een vereiste dat het omgevingsplan hier ruimte voor biedt of dat de gemeente (en provincie) bereid is hier medewerking aan te verlenen.

Veelgestelde vragen

Deze gereedschapskist met maatregelen kwam tot stand door meerdere gesprekken met een klankbordgroep van circa tien agrariërs uit Groningen en praktijkgesprekken met nog eens vijf op hun boerderijen. Daarnaast is verkend wat veel voorkomende vragen zijn van boeren rond hun bedrijfsvoering en de aanpassing van boerderijen. 

De maatregelen zijn stuk voor stuk besproken en grotendeels ook al toegepast in de praktijk.

Met deze stappen kun je de transformatie goed aanpakken: 

1. Bedenk eerst welke mogelijke functies je voor de boerderij in gedachten hebt en of het gaat om nevenfuncties naast de functie als boerderij, of om een gehele herbestemming;

2. Laat marktonderzoek uitvoeren of doe dat zelf;

3. Werk aan een sluitende businesscase, dus ook een financiële opzet die duurzaam is; 

4. Vorm eerste gedachten over je erf en boerderij, zonder dat het een in beton gegoten plan is;

5. Ga dan verder met de stappen uit de vraag: hoe kan ik zo snel mogelijk een vergunning krijgen voor de verandering van mijn boerderij?

Zie hiervoor ook de maatregel Herbestemmen.

Een schuur is gebouwd voor landbouwgebruik en niet om in te wonen. Daarvoor heb je meer afdichting, isolatie en installaties nodig. De belangrijkste vraag daarbij is hoeveel van een schuur wilt gaan gebruiken als woon-, werk- of andere gebruiksruimte. Zodra dat duidelijk is, kan voor dat oppervlak of dat deel van de schuur een aanpak gemaakt worden. Ook door het goed water- en winddicht maken van het koude deel van de schuur kan een prettiger binnenklimaat ontstaan.  

Zie hiervoor ook de maatregel Isoleren.  

Het is niet mogelijk om op deze vraag een eenduidig antwoord te geven. De hoogte van de kosten hangt af van de grootte van het te transformeren deel, de afwerking daarvan, de keuzes voor installaties, de noodzakelijk aanpassingen aan de schuur, enzovoorts.  

Onze antwoorden op de vraag naar kosten van het aanpassen van een boerderij bij versterking, vind je hier.