Navigatie overslaan
Kop-hals-rompboerderij
Kop-hals-romp

Boerderijtype: kop-hals-romp

De kop-hals-rompboerderij is ontstaan in Friesland, toen boeren behoefte kregen aan meer ruimte onder één dak. Twee kleine lage schuren achter het voorhuis werden vervangen door één brede hoge schuur (de Friese schuur, zie Boerderijtypen en hun ontwikkeling). Daarbij bleef het voorhuis als het ware op dezelfde plek staan, asymmetrisch voor de schuur. Een tussenlid vormde de verbinding tussen woonhuis en schuur. 

Kop, hals en romp

Zo werd de kop-hals-rompboerderij gevormd: het voorhuis, de kop, stond onder een eigen zadeldak en had een schoorsteen op elke nok. In het voorhuis bevonden zich twee kamers, waarvan de één met bedsteden. 

De andere (op)kamer lag vaak hoger, met daaronder de melkkelder. In de wat lagere hals bevonden zich de karnruimte en de spoelkeuken. Een gang voerde naar voorhuis, personeelsruimten en de schuur (de romp).

Kop-hals-rompboerderij

De schuur werd door de gebinten in drieën gedeeld: in de zijbeuken bevonden zich stallen, met stalraampjes in de zijgevel, de dorsvloer, en de ruimte voor de wagens en berging. Het midden, de tas, was voor hooi- en oogstopslag. Vaak waren de paardenstallen tegen het midden van de achtergevel geplaatst.  

Dit is de indeling in hoofdlijnen, maar deze verschilde wel per boerderij en was altijd toegespitst op de specifieke situatie.

Indeling van een kop-hals-rompboerderij

 

Kop-hals-romp in Groningen

In Groningen lag meer nadruk op akkerbouw. Die vroeg om grote, brede schuren, die een minder steile dakhelling hadden dan de Friese boerderijen. Zo groeiden de Groningse kop-hals-rompboerderijen uit tot de kenmerkende grote volumes in het landschap.

Vanaf ongeveer 1850 werd de vorm van het voorhuis vaak aangepast of herbouwd, en verscheen zo het dwarshuis, en nog later de villaboerderij.

Kop-hals-rompboerderij
Kop-hals-rompboerderij