
Van langhuis tot villaboerderij
“Om echter te herwinnen, wat hierdoor verloren ging en opnieuw te komen tot een schoonen, gewestelijken bouwtrant, zal een bezinning op traditioneele bouwvormen en gebruikswijzen noodig zijn.” (Boerderijen in Nederland,1941. Nederlandsche Heidemaatschappij)
Op deze pagina
Het langhuis
De geschiedenis van de Groninger boerderijen gaat ver terug, maar de directe voorganger van zowel de kop-hals-romp- als de Oldambtster boerderij is het zogenaamde langhuis: dat komen we tegen in Groningen en Friesland vanaf de 13de eeuw. Het had een eenvoudige constructie en een rechthoekige plattegrond met tussen de gebinten steeds net genoeg ruimte voor twee koeien. Het was kleiner en veel lager dan de traditionele boerderijen die wij nog kennen.
De langhuisboerderij was in de lengte opgedeeld in doorlopende ruimtes, alle onder het zadeldak. Het wat hogere woonhuis met een schoorsteen, een tussenlid met de ingang en de werkruimte voor het melken en koken, en een smalle, lagere schuur. Aan de zijkanten stond het vee in grupstallen: twee aan twee, met de koppen naar buiten gericht. Het midden diende als voergang. Naast of achter de schuur stond een hooiberg.
Veeteelt had dus in eerste instantie de overhand, maar toen akkerbouw ook een rol begon te spelen, groeide de behoefte aan meer opslagruimte. Daarom werd vanaf toen een losse schuur in dezelfde vorm naast de bestaande geplaatst voor de oogstopslag.



Uit dit langhuistype zou zich een nieuwe schuur ontwikkelen, die de basis zou vormen voor vrijwel alle Groningse boerderijtypen.
De Friese schuur
De bijplaatsing van een oogstschuur naast de langhuisboerderij leidde eind 16de eeuw in Friesland tot een nieuwe vorm: de Friese schuur. Deze schuur vormde de samentrekking van de bestaande veestal en graanschuur onder één breed en hoog dak. De constructie werd gevormd door een reeks hoge dekbalkgebinten.



Deze constructie, die veel meer hoogte en breedte creëerde dan die van het langhuis, verdeelde de binnenruimte in drie brede ruimten. In het hoge middengedeelte was plaats voor hooi en graan: de tas. De zijbeuken waren voor het vee, dat in tweetallen met de kop naar de zijgevel stond, en voor gereedschapsberging.

Aanvankelijk was de achtergevel zeer laag, maar uit behoefte aan inrijdeuren voor de wagens werd die al snel tot hoger opgetrokken.

Nieuw in de vorm was dat de nokeinden afgeschuind waren tot een wolfsdak, met bovenin een knik met een uilenbord. De kap bepaalde het kenmerkende silhouet.
De Friese schuur verspreidde zich al snel naar Noord en West-Groningen. En deze basisvorm en -constructie zou zowel het principe van de kop-(hals-)rompboerderij vormen als van de Oldambtster boerderij. Beide vanuit een vergelijkbare ontwikkeling naar een grotere schuur, maar met elk een eigen pad daarnaartoe.

Kop-hals-rompboerderij
Bij de samentrekking van de parallelle langhuisschuren tot de Friese schuur, bleef het voorhuis als het ware op dezelfde plek staan, asymmetrisch voor de schuur. Een tussenlid vormde de verbinding tussen woonhuis en schuur. Zo werd de kop-hals-rompboerderij gevormd: het voorhuis stond onder een eigen zadeldak en had een schoorsteen op elke nok.
In het voorhuis bevonden zich twee kamers, waarvan de één met bedsteden. De andere (op)kamer lag vaak hoger, met daaronder de melkkelder. In de wat lagere hals bevonden zich de karnruimte en de spoelkeuken. Een gang bood toegang tot woon-, werk- en schuurgedeelte, en naar de personeelskamer en -bedsteden voorin die schuur.

Ter hoogte van de stallen had de zijgevel stalraampjes. Ter hoogte van de dorsvloer, vaak aan de achterzijde, boden wat grotere ramen in de achtergevel meer daglicht.
De paardenstallen werden tegen het midden van de achtergevel geplaatst, met een eigen ingang. Deze verstevigden ook de gebintconstructie, doordat de zolderbalken van de paardenstal zowel aan de achtergevel (met ankers), als aan een van de gebinten vastzat.
Dit is de indeling in hoofdlijnen, maar deze verschilde wel per boerderij en was altijd toegespitst op de specifieke situatie.

In Friesland lag aanvankelijk nog de nadruk op de veeteelt: de veestallen vulden dan ook grotendeels de zijbeuken. Toen in de 17de eeuw het gemengde bedrijf opkwam, zocht men ruimte om de groeiende oogst op te kunnen slaan en kwam er een zoldervloer boven de gebinten. Beneden het vee, boven de oogst.
In Groningen lag de nadruk in het gemengde bedrijf vooral op akkerbouw, zeker in de polders in Noord-Groningen. Daar was dus minder ruimte nodig voor stallen maar des te meer voor de oogst, die hier op de tas én in de zijbeuken werd opgeslagen.
Dat vroeg om grote en brede schuren, die dan ook een minder steile dakhelling hadden dan de Friese boerderijen. Zo groeiden de Groningse kop-hals-rompboerderijen uit tot de kenmerkende grote volumes in het landschap.


Oldambtster boerderij
In het Oldambt voerden de boeren aanvankelijk een gemengd bedrijf. Maar nadat in de 18de eeuw meermaals de veepest was uitgebroken, maakte men de overstap naar akkerbouw. Het land was daarvoor zeer geschikt, en hier ligt dan ook het begin van de ‘graanrepubliek’.
De grotere behoefte aan oogstopslag leidde tot de introductie rond 1750-1800 van het Oldambtster boerderijtype. Het is waarschijnlijk geïnspireerd door akkerbouwboerderijen in Ost-Friesland. Een functionele keuze, net zoals we zagen bij de verspreiding van de Friese kop-hals-rompboerderijen naar Noordwest-Groningen.
Ook hier is het principe van de Friese schuur de basis: een dekbalkgebintstelsel vormt de constructie. Bij de oudste types ging het nog om een schuur waarbinnen slechts een klein gedeelte voorin in gebruik was als woonruimte, maar al snel veranderde dat en scheidde een brandmuur woning en bedrijf.

Typerend was dat de hele boerderij onder één doorlopende nok stond. Zo kon de graanzolder vanuit de schuur doorlopen tot in het voorhuis: de zaadzolders, herkenbaar aan de kleinere verdiepingsramen in de voorgevel.
De overgang van het smallere voorhuis, met zijn hoge gootlijn, naar de schuur werd in één of meer verspringingen opgevangen: de krimpen.

Met de groeiende welvaart ontstond meer aandacht voor het uiterlijk: de tuitgevel werd vervangen door een kopgevel met wolfseind. En de toegang verhuisde van de zijkant naar het midden van de voorgevel, waar dan aan weerszijden een kamer lag.

Ook werden de lage ramen van de zaadzolders van gordijnen voorzien, of beschilderd om die suggestie te wekken. Dit waren de eerste tekenen van een zelfbewustzijn van status en welvaart, waarbij men het huis, met een siertuin, presenteerde aan de weg.
De schuur was vooral bedoeld als opslag- en dorsruimte; en er was nog een kleine veestalling. De paardenstal kon tegen de achtergevel, maar ook wel in de brede zijbeuken staan.
In het begin had men nog wel een hoge inrijdeur in de voorgevel, maar later concentreerde alles zich op de achterkant, waar de landerijen lagen. De hoge achtergevels lieten met hun zaadzolderramen zien hoe de graanzolders helemaal doorliepen. De grote inrijdeuren boden de ruimte om de hoog opgetaste oogst binnen te rijden.

Veranderingen en uitbreidingen tot WOII
Toen de akkerbouw zich naar Midden en Noordwest-Groningen verspreidde, koos de boer ook daar vaker voor de Oldambtster boerderij. Soms werd zelfs de kop-hals-rompboerderij ver- of herbouwd als een Oldambtster. De groei van de akkerbouw bracht rijkdom en zelfbewustzijn met zich mee en zorgde voor grotere bedrijven.
Dat kreeg een gezicht in de uitbreidingen van schuren en erven, maar ook in de uiterlijke verrijking van voorhuizen en tuinen. In beide zijn er geen grote verschillen meer tussen de boerderijtypen, maar bepaalde de ruimte op het erf en de ligging in een open landschap of aan een lint de uitbreidingsvorm: in de lengte of in de breedte, puur functioneel en plaatsgebonden.
De verrijking van de voorhuizen was ook vergelijkbaar. En zo is geen Groninger boerderij hetzelfde, maar is die wel samengesteld uit hetzelfde 'bouwpakket' waaruit elke boer zijn eigen functionele keuze maakte, geënt op wat erf en landschap boden.

Uitbreiding in de lengte
Het bijplaatsen van gebinten om de schuur te verlengen, was al sinds jaar en dag gangbaar in alle streken, maar was in de lintbebouwing met de smalle opstrekkende kavels eigenlijk de enige optie. Meestal aan de achterkant van de schuur, maar ook wel aan de voorkant. Daarmee schoof het voorhuis ook naar voren. De afwisselende veranderingen aan schuur en voorhuis zijn nu vaak nog te herkennen in de bouwsporen daarvan op de grens tussen voor en achter.
In het Oldambt werd plaatsing van een kapschuur achterop het erf gebruikelijk.

Uitbreiding in de breedte
Bij erven op afstand van de weg of met het eigen land rondom het erf, kon men meer de breedte in: dat begon vaak met het bijplaatsen van een kleinere schuur (de hut) voor kleinvee en gereedschapsberging.
Na 1850 werd deze vervangen door een schuur die identiek was aan de hoofdschuur. Hiervan werden de binnenste zijgevels doorbroken en een extra kap kwam bovenop de bestaande gebinten. Zo ontstond een zeer grote schuur: een driekapper. Dit principe kon verder uitgebreid worden, tot zelfs wel een zeskapper.


Ook de werkindeling binnen veranderde: de mechanisatie deed haar intrede en de grotere machines hadden ook ruimte nodig. De achtergevel veranderde mee, met onder andere brede hoge inrijdeuren.

Wonen
Het wonen had zich al ontwikkeld van een kleine ruimte in de schuur naar een voorhuis dat geheel als woning diende. Die ontwikkeling zette door; de taakverdeling tussen man en vrouw werd strikter, waarbij de voorkant van de boerderij, de woning met voortuin, het domein van de vrouw werd.
Tegelijk wilde de boerenstand zijn welvarendheid graag tonen. Men begon, net als de notabelen in het dorp, mee te gaan met architectuurstijlen. Bijvoorbeeld met de wens tot symmetrie. Dit bracht veranderingen in vorm en aanzien van het voorhuis en begon met het dwarshuis: een woning dwars op de schuur, met een schilddak, en een centrale voordeur voor de bezoekers. Een brede, rijk versierde gang verdeelde de vertrekken.


Met name in het Oldambt werd dit echt een fors en statig herenhuis, doordat nog wel dezelfde nokhoogte als de schuur werd aangehouden.

Eind 19de eeuw was vooral het neoclassicisme populair, met zijn pilasters tegen de gevels, rijke raamomlijstingen en deurportalen met monumentale trappen. Serres en veranda’s werden aangebouwd en in de tuinen in landschapsstijl werd een prieel gebouwd.
Ook werd bij generatieopvolging dichtbij een rentenierswoning gebouwd. De verzelfstandiging van de woning ging weer een nieuwe fase in met de villaboerderijen: een voorhuis als Jugendstilvilla, of later in Berlage- of Amsterdamse Schoolstijl. Deze werd nog wel tegen de schuur aangezet.


De rijkdom toonde niet alleen uiterlijke versiering, maar ook de hiërarchie en het sociaal-economische verschil tussen boer en knecht. Voor de landarbeiders was er een aparte gang naar hun in de schuur gelegen vertrekken, die zeer eenvoudig bleven.
Door de stichting van coöperatieve melkfabrieken en de verdergaande mechanisaties, was er vanaf 1900 veel minder werk nodig op de boerderij zelf en eindigde het inwonen van de arbeiders bij de boer. Onder andere door de Landarbeiderswet van 1918 konden zij met een lening een eenvoudig huis met wat grond voor een moestuin kopen, meestal verderop in het dorp. De hoofdvorm hiervan is meestal afgeleid van de krimpenboerderij.
Na WOII
In het oorlogsgeweld van 1940-1945 zijn ook Groninger boerderijen verwoest of zwaar beschadigd. Het landelijke Bureau Wederopbouw had oog voor de regionale traditie en gaf de opdrachten voor herbouw voornamelijk aan lokale en regionale architecten. Dit leverde een aantal boerderijen op dat qua vorm en ambachtelijkheid volledig aansloot op de streekeigen types en stijl.

De ruilverkavelingen sloegen juist de weg van schaalvergroting in, met grote gevolgen voor landschap, erf én boerderij. Het model van ruilverkavelingsboerderijen werd landelijk ontwikkeld, en koppelde huis en schuur volledig los. De woning, in moderne naoorlogse stijl, kwam los op het erf te staan.
In Groningen werd overigens vooral aan kavelruil gedaan, zonder veel nieuwbouw. Maar bij nieuwe bedrijven werd dit wel de trend, en is het gemeengoed geworden. Daarmee is het huis een burgerwoning geworden, zonder onderscheidend of streekeigen karakter.
Voor de schuren gold iets vergelijkbaars: het land bij een boerderij werd steeds uitgestrekter, de oogst steeds groter, en de machines om dit te oogsten en verwerken groeiden mee.
Vanaf de jaren '60: silo's en ligboxenstallen
Op het erf verschenen in de jaren ‘60 silo’s en ligboxenstallen. Tegenwoordig nemen nieuwe schuren de functies van opslag en graan- of zuivelverwerking over. De omvang en vormgeving is functioneel, maar niet meer streekgebonden, en komt uit de catalogus van gespecialiseerde agrobouwbedrijven.
Vorm en schaal daarvan domineren het erf, met zeer hoge gootlijnen, staal, aluminium en kunststof materialen.
De plek en functionaliteit van de bestaande boerderij en schuur verandert en staat niet meer centraal. Het is zoeken naar een passende functie, die bijvoorbeeld gevonden wordt in machineberging, stalling van het jongvee, een werkplaats of een boerderijwinkel. Hierbij bepalen de historische gebinten wel de grootte van mogelijke opslag, doordat ze de binnenruimte in drieën delen.

Nieuwe functies
De vele vrijgekomen boerderijen krijgen ook andere functies, al is dat door hun omvang niet makkelijk rond te krijgen. In de verschillende functies – van woonboerderij of mkb tot caravanstalling – valt veelal de ruimtelijke verdeling van huis, werk- en schuurgedeelte weg.
Bij hergebruik van de boerderij voor een andere functie dan de primaire agrarische en zeker bij een geheel nieuw programma komt het er op aan om, net als bij nieuwbouw van grootschalige loodsen en stallen, het erf mee te nemen als onderdeel van de ontwerpopgave. De boerderij en het erf zijn samen beeldbepalend.









